Leerroute 6

Korte omschrijving van de doelgroep

Leerlingen die onderwijs volgen in leerroute 6 zijn bekend met een matige tot ernstige verstandelijke beperking (IQ lager dan 40) en worden in het onderwijs al dan niet belemmerd door bijkomende problematieken zoals, motorische, neurologische, (psycho-) somatische problemen, ontwikkelingsstoornissen en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid. De emotionele leeftijd zal grofweg liggen op een vergelijkbare leeftijd van anderhalf à 3 jaar.

Dikwijls zien we dat de belemmerende factoren bij gebrek aan voldoende compensatie-mogelijkheden extra negatief inwerken op de ontwikkelingsmogelijkheden. Deze  leerlingen zijn in hun onderwijsproces in grote mate afhankelijk blijven van ondersteuning en activering.

Instroomniveau van de doelgroep

Het instroomniveau van de leerlingen ligt wat betreft de leergebied overstijgende, praktische  en didactische redzaamheid gemiddeld op niveau 2 tot 3 op de CED-lijnen.

Uitstroomniveau van de doelgroep

Bij uitstroom vanuit leerroute 6 functioneert een leerling  op een gemiddeld niveau van 3 tot 5 op de CED-lijnen.

 

Uitstroombestemming van de doelgroep in het perspectief van onderwijs, werken, wonen en vrijetijdsbesteding

Onderwijs

Het doel van het onderwijs aan deze leerlingen is de zelfredzaamheid vergroten, de communicatieve vaardigheden verbeteren en het sociaal-emotioneel functioneren optimaliseren. Er is volop aandacht voor creatieve vakken. De leerlingen hebben een korte spanningsboog waardoor inspanning afgewisseld wordt met ontspanning.

Werken

Aan het eind van leerroute 6 stroomt de leerling uit naar een “activiteitgerichte dagbesteding”. Vanuit de voorziening mogen de volgende omgevings-  en ondersteunings-voorwaarden worden verwacht:

  • De mate van beschutting en ondersteuning is zeer intensief.
  • De omgeving is een zorginstelling, die volledig is ingericht op de ondersteuningsvraag.
  • De deelnemer beschikt over permanente professionele ondersteuning
  • De ondersteuning is individueel en voortdurend aanwezig.
  • In- en ontspanningsactiviteiten worden afwisselend aangeboden.
  • Er worden geen productie-eisen gesteld.

Wonen

Op termijn zullen deze leerlingen zijn aangewezen op een intensieve vorm van beschermd wonen op basis van een WLZ-of WMO-indicatie.

Vrijetijdsbesteding

De leerling kan deelnemen aan georganiseerde en begeleide vormen van vrijetijdsbesteding die veelal in grote mate zijn gericht op deze doelgroep.

 

Instructie- en ondersteuningsbehoefte

Per individu kunnen aanpassingen mogelijk zijn, deze aanvullingen staan in het groeidocument van de leerling vermeld.
De algemene noodzakelijk ondersteuning staat hieronder genoemd:

Didactische ondersteuning

  • De leerlingen leren op een handelende wijze, er dient veel herhaling te zijn.
  • Er wordt visuele ondersteuning geboden bij het aanleren van kennis en vaardigheden.
  • Leerlingen hebben vaak moeite met het opslaan en verwerken van louter verbale informatie. Het is belangrijk om auditieve, visuele en sensomotorische ondersteuning te integreren in instructie.
  • De lessen zien er afwisselend uit en bevatten actieve werkvormen.
  • Er wordt zo min mogelijk met werkbladen gewerkt, maar meer doe-opdrachten in een praktische setting met concreet materiaal.
  • Er is sprake van een grote structuurbehoefte, er is een voorspelbaar en overzichtelijk dagrooster; verheldering wordt gegeven in tijd, ruimte, activiteit, materiaal en persoon.
  • De leeromgeving is prikkelarm en overzichtelijk.
  • Er is sprake van een juiste afstemming tussen in- en ontspannende activiteiten.

Sociaal-emotionele- en gedragsondersteuning

  • De leerling ervaart de nabijheid en bescherming van zijn begeleiders.
  • De begeleiding is gericht op het vergroten van de autonomie.
  • Creëer hiervoor duidelijke grenzen en hanteer een overzichtelijke structuur.
  • Veelal is er sprake van een individueel gerichte aanpak, maar hanteer daarbij bewust gekozen leermomenten in de groep.
  • De sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling nog sterk ik-gericht.
  • Uitgangspunt is om de werkhouding van de leerlingen in de nabijheid van anderen te ontwikkelen.
  • Er is sprake van een nabije begeleiding zonder dat daarbij betutteling wordt ervaren.
  • Hanteer een positieve, inspirerende en activerende leerstijl waarbij de bejegening is gebaseerd op voorspelbaarheid en betrouwbaarheid.
  • Confrontatie met het eigen (ongewenste) gedrag wordt nog steeds weinig gebruikt. Het woordje “nee” wordt wel begrepen maar kan nog niet worden uitgevoerd. Dat betekent dat je nog niet de verantwoordelijkheid bij de leerling kan neerleggen voor zijn doen en laten. Hulp bieden is belangrijk. Leg de verantwoordelijkheid bij jezelf. Boos worden helpt niet, uit de situatie halen of de handeling onderbreken is een betere optie. Het is belangrijk dat het gedrag actief veranderd wordt; je moet zelf optreden.
  • Tijdens momenten van begeleiding op afstand kan er ervaring opgedaan worden met meer zelfstandig functioneren.
  • De kunst is om de eigen wil in banen te leiden. De strijd aangaan en op je strepen staan als begeleider heeft vaak een averechts effect. Dit betekent niet dat je alles maar moet laten.
  • Pak het diplomatiek aan, leid af.
  • Er is nog geen sprake van een intern geweten. De aanwezigheid van de begeleider en de begeleiding van het gedrag blijven daarom nodig, elke dag weer opnieuw.
    (Het weten dat iets niet mag, verandert langzaam door herhaling, in ‘ik heb het eerder gehoord, ik heb het geweten’. )
  • De leerling kan nog geen oplossingen of alternatieven bedacht worden. Doe dat samen.
  • Ben voorspelbaar en betrouwbaar waardoor de ander zich veilig voelt.
  • Bij duidelijkheid hoort ook dat je geen verzet oproept door een handeling te vragen als je wilt dat het gebeurt. Bijvoorbeeld “kom we gaan” in plaats van “ga je mee?” of “kom, we gaan eten” .
  • Geef gedoseerde verantwoordelijkheid.
  • Benoem kort dát het niet mag en waarom niet: “Niet slaan, dat doet pijn”. Formuleer kort het alternatief: “Ga maar vragen of je het hebben mag” en voer samen de handeling uit. Niet te veel confronteren met gedrag.

Fysiek en medische ondersteuning  en ondersteuning ten aanzien van communicatie

  • Totale communicatie (Nederlands met gebaren, visuele ondersteuning) is essentieel.
  • Het taalgebruik is kort en concreet; de opdracht is helder en duidelijk waarbij benoemd wordt welke handeling gewenst is.
  • De communicatie bestaat uit lichaamstaal en korte zinnen (twee-, drie- woordzinnen)
  • De leerling alert maken middels het noemen van de naam, aanraken en/of oogcontact maken alvorens je de opdracht overbrengt, is belangrijk.
  • Indien nodig, wordt gebruik gemaakt van hulpmiddelen zoals een spraakcomputer
  • Coaching van logopedist is hierbij nodig i.v.m. gebruik van picto’s en gebaren.